De sfeer (deel 3)

De bewoners zaten in de woonkamer. Iemand van de verzorging speelde oudhollandse kinderliedjes op de elektrische piano die ik aan het verzorgingshuis had geschonken. De oudjes zongen mee. Mijn oma kende van elke liedje een woord. Als ze het woord had meegezongen keek ze me aan en zei: ‘ik ken dit niet’. Ik wreef over haar arm, ze keek me spottend aan en vroeg wat ik van haar moest.

Naast haar zat een man op een stoel die er veel slechter aan toe was dan de rest. Hij zat met zijn benen uit elkaar en keek naar zijn kruis. Zijn vrouw, bij hem op bezoek, zat tegenover hem en hield zijn handen vast. Hun hoofden raakten elkaar.

Ik moest even huilen, want ik had mijn ouders ook vaak zo zien zitten.

We zongen Kortjakje en De Zilvervloot en een halve psalm. Ik kende de teksten niet en probeerde mee te neuriën in de tweede stem. Na elk nummer hoopte ik dat ze iets zou zingen dat beter was, maar in plaats daarvan zongen we Vader Jacob. De oudjes zongen luidkeels mee en mijn oma keek me haast verliefd aan. Ze vroeg waar ik de laatste tijd was geweest. ‘Om de hoek, oma, om de hoek!’. Ik ben altijd om de hoek geweest.

De man die er veel slechter aan toe was dan de anderen begon te trillen. Zijn mond bewoog oncontroleerbaar als een rubberen elastiek. Hij probeerde op te staan. Zijn vrouw hielp.

De vrouw die piano speelde pauzeerde, ze zei: ‘misschien moeten we iets spelen voor Misha. Misha, blijf nog heel even zitten. Deze is voor jou!’.

Ze brachten Misha terug naar zijn stoel.

Ze zong:

‘En ik heb je voor het eerst gezien, daar bij de waterkant, daar bij de waterkant’.

Ik keek goed, ik keek beter. De man was Misha Mengelberg.

Hij was in de hel beland.