Schuur van verdriet

Een goede vriend van me is net naar Peru verhuisd. Hij mailde dat hij naar Iquitos af zou reizen om aan een ayahuasca-ceremonie deel te nemen. Als mensen over hun ayahuasca ervaring vertellen, klinkt het zelden echt uitnodigend: je moet ervan kotsen, je vergeet wie je bent of het verandert je leven. Het zijn doorgaans de meer spirituele mensen die ik erover heb horen vertellen, spiritueel van een soort dat prettig begint en snel benauwt.

Ik had ayahuasca nooit overwogen en het op mijn vaagste bucket-list gezet. Maar toen mijn vriend me mailde, wist ik dat ik het ook moest doen. Er was zoveel aan mijn leven dat ik wilde veranderen, dat ik niet meer wist waar ik moest beginnen. Het was hoog tijd voor een paardenmiddel.

Online kwam ik erachter dat Nederland een hotspot is voor ayahuasca ceremonies (de werkzame stof in Ayahuasca, DMT, is, hoewel het gewoon in je ruggengraat en je huisdier zit, illegaal). Het leek me een goed idee om de grootste reis van mijn leven in een meditatiezaaltje om de hoek van mijn huis af te leggen. Ik vond een emailadres van een sjamaan die me beviel en schreef haar tot diep in de nacht een lange, bewogen motivatie.

Ze antwoordde de volgende ochtend: precies een week later was er een ceremonie. In de tussentijd keek ik alle documentaires (zoals deze) en lezingen die ik maar over Ayahuasca kon vinden. Mijn psychiater had er nooit van gehoord, wat ik vreemd vond omdat het extreem effectief is bij de behandeling van depressie, trauma en verslaving. Toen ik hem probeerde uit te leggen waarom ik het wilde doen, zei hij: ‘Ik vind de reden dat je dit doet, veel beter dan dat je het gaat doen’.

Een paar vrienden belden me op, bezorgd naar mijn beweegredenen. Aan het eind van het telefoongesprek was het afscheid raar. Eigenlijk was het precies zoals de keren dat ik op een lange, verre reis ging: ze waren bezorgd over welk deel van me niet terug zou komen.

De avond voor de ceremonie sliep ik bij een vriend op de bank, om er zeker van te zijn dat ik zou slapen. Elders slaap ik altijd beter dan thuis. Thuis ga ik weleens met mijn hoofd aan het voeteneind liggen totdat het went.

Zodat de ayahuasca goed zal vallen, had ik al dagen bijna niets gegeten. Ik kocht een mix met gezonde gedroogde bessen en zaden, maar kreeg er meteen diarree van. Voor het slapen vergreep ik me nog even aan een geweldige halve appeltaart.

De dag van de ceremonie.

’s Ochtends drie keer gepoept. Ik ga langs huis om mijn kat gedag te zeggen. Hij zit in de sokkenla, waar ook mijn paspoort ligt. Even overweeg ik het mee te nemen.

Het is praktisch om de hoek van mijn huis, in een meditatieruimte aan een kade. Ik ga op een bankje zitten, rook een sigaret en kijk tussen twee woonboten door naar het water. Eigenlijk had ik tijd uitgetrokken voor twee, maar ik ben te misselijk voor meer. Dan loop ik naar de ingang, waar een man staat met zijn laatste haar in een staartje en een stompje shag.

‘Is dit meditatieruimte Citipati?’
‘Ja. Je komt zeker voor Loes.’
‘Ik ben Lex, ik help haar vandaag. Is dit je eerste keer?’
‘Ja’.
‘Ik vind het eng’.
‘Dat is goed.’

We roken even naast elkaar zonder iets te zeggen.

‘Je zal er geen spijt van hebben’.

We lopen samen naar binnen, hij legt zijn hand even op mijn schouder.

Ik herken de meditatieruimte. Ooit was het iets anders en toen gaf een vriend van me er een schoolfeest. Ik liet voor de eerste keer mijn windmill zien, maar de meisjes zagen het niet, want ze vonden het niet cool binnen en bleven op de kade om oudere jongens met scooters te laten komen. Er liggen veertien yogamatjes met daarop een kussentje en een deken. Naast de matjes staan witte ronde teiltjes, de kotsbakjes. In het midden is het altaar: een groot kleed op de vloer met op de punten grote kaarsen. Het altaar is precies zoals in de documentaires, met kitschkaarsen van heiligen die ze bij dollarshops verkopen, een gedroogde slangenhuid, een kistje met tabak, een pijp en een grote trommel, en plastic flessen met de zwarte drank.

De helft van de groep zit al. Ik loop naar Loes, steek mijn hand uit en stel me voor.

‘Is er er iets met je? Een trauma? Of ben je gewoon nieuwsgierig?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Het is ingewikkeld. Ik voel dat ik dit moet doen’.

Ik sta wat verloren tegenover Loes. Ze haalt een formulier uit haar tas dat ik moet ondertekenen. Op het formulier staat dat ik geen medicatie gebruik en de reis op eigen risico doe. Het voelt even alsof ik me inschrijf voor een tapdansles.

Ik installeer me op mijn matje en bekijk de anderen: een man in een wit gewaad, een paar oudere dames met kort kapsel, ze babbelen met de sjamaan en lijken haar al te kennen. Een nerveus echtpaar, waarvan de man in pak. Een lange blanke magere yogaman die mediteert in een indrukwekkende houding. Twee Zweedse jongens. Daarnaast een meisje dat mijn type is. Een vrouw waarvan ik niet helemaal zeker weet of ze mijn type is. We knikken elkaar allemaal even toe.

De sjamaan vraagt voor wie het de eerste keer is. De helft steekt opgelucht een hand op. “Zijn er vragen?” Er zijn geen vragen.

Loes is rond de vijftig, maar ziet er jong uit. Ik ben netjes opgevoed en heb geleerd profeten te wantrouwen. Toch koos ik voor Loes omdat ze op haar site uitvoerig over demonen schrijft en afgeeft op sjamanen die alles maar met de mantel der liefde bedekken. Volgens haar zijn er bij elke ceremonie altijd wel ‘entiteiten’ aanwezig die ze moet uitbannen met haar licht. Als er demonen zijn, dan schuif je die niet onder het kleed.

Ja, Loes neemt haar werk serieus. Verstandiger mensen dan ik vinden het moeilijk te begrijpen dat ik zoveel vertrouwen leg in iemand die in het bestaan van aartsengelen gelooft. Maar ik snap niet waarom je iemand niet kan vertrouwen die in andere dingen gelooft. Ik geloof in haar ervaring. De engelen waar ze in gelooft zijn christelijk en dat zijn engelen waar ik tenminste iets vanaf weet in plaats van vreemde Peruaanse plantenspoken. We hebben alleen geen klik, de sjamaan en ik, maar dat hoeft misschien ook niet.

De sjamaan zingt in het Portugees met een heel Nederlands accent. De helper, Lex loopt rond en brandt salie. Dan krijg ik een stukje tabak waarin ik moet fluisteren wat ik van de ayahuasca wil. Ik aai de tabak, het is een zacht wolkje in mijn hand. Dat ik straks allemaal hallucinaties ga krijgen, geloof ik wel. Het is de ontrafeling van mijn ego waar ik bang voor ben, te vergeten wie ik ben. Tegelijkertijd ben ik vaak zo moe van wie ik ben, dat alles beter is dan dit.

Ik maak een doosje van mijn hand en fluister dat ik gewoon niet meer zo bang wil zijn. De tabak gaat bij de rest.

Ayahuasca drink je in twee delen, eerst het goedje dat de enzymen remt die de werking van DMT tegengaan. Het smaakt naar oude zure koffie waarin iets heeft geleefd. We wachten een kwartier. Ik kijk naar een kaars en kan niet meer terug.

De tweede ronde. Ayahuasca is ondrinkbaar, maar het is ook weer geen Crodino. Ik wikkel mijn hoofddoek om, nu ik nog weet hoe dat moet en trek hem over mijn ogen. De hoofddoek lag in de doos waarin mijn kat zou bevallen, maar ze bleef maar bloeden en de kittens stierven in haar buik. Haar baarmoeder moest verwijderd worden. Ik ruik haar, Nina. Het ruikt naar aarde en ziek oud bloed.

Opeens gaan er twee kleine lichtjes aan. Zee-egels. Nee, ze horen bij elkaar: ogen. Ze trekken weg. Het wordt rokerig achter mijn ogen. Ik ga liggen en denk aan alle dingen waar ik me van had voorgenomen dat ik er niet aan zou denken. Alle dingen krijgen vormen die uiteenvallen in lagen. Maar ze zijn plat en schuiven betekenisloos over elkaar heen. Er is geen samenhang, het zijn losse verdwaalde beelden, dunner dan rijstpapier. Ze vervelen me.

Barn of Sorrow

Maar dan is het fantastisch en verwarrend. En teveel. Ik ga rechtzitten. Kotsen. Ik ben hier niet om te hallucineren. Ik ben in een kamer vol kotsende mensen. Op het feestje dat hier ooit was hoorde ik ‘Me & My Adidas’ voor de eerste keer. Nu is het een schuur van verdriet. Ik doe mee. Lang kokhalzen, ik kots maar een beetje. De vrouw linksachter me houdt maar niet op. Haar lichaam wiegt. De grote helper komt haar knuffelen. Het is zo mooi. Mensen groeien, dwalen, verzamelen pijn en kruipen samen in een schuur. Ze kotsen hun pijn eruit en verzamelen het braaksel.

Ik kijk weer naar de kaars die voor me staat en besluit om terug te komen en haar te groeten. Ik ga naar alle pelgrimsplekken waar ik al eens ben geweest, maar ik krijg ze helemaal opnieuw te zien. Niet als pelgrim, maar als de plek zelf, de pelgrims bewegen door mij. Ze krioelen met hun hoop en hun adem.

En ik zeg:

‘Ik zie weer’.

En ik zucht:

‘Eindelijk in het nu’.

En dat nu smeert zich uit.

Ik denk heel even aan de dood, maar ook dat heeft geen gewicht. Ik besef dat ik altijd heb gedacht dat de dood van mensen schaduwen op me had achtergelaten. Als ik moe werd van de ruis in mijn hoofd zocht ik naar stilte, en vond het in gedachten aan een mooi lapje vochtige aarde, of aan het metaal van een koude tram op mijn wang die ik niet zag bij het afslaan. Ik maakte schaduwen om onder te schuilen. Onder schaduwen kan je niet schuilen.

Ik zie een heel dik lichaam, het klopt, bloedt en zweet olie. Het is het leven en de staart en de bek zijn de dood, de dood omsluit, hooguit, niet iets om je blind op te staren. Ik heb me er zo blind op gestaard, terwijl er gewoon liefde was die volstrekt aan me voorbij ging. Mij is nooit kwaad gedaan. En het beetje kwaad dat mij is gedaan, was nevenschade, splinters van niet mijn gevecht. Ik vergeef me mijn zelfmedelijden.

De sjamaan komt naar me toe en vraagt of de ayahuasca werkt.

Ik probeer iets te zeggen. Ze legt een hand op mijn schouder:

‘Lieve schat, ik stel je een hele simpele vraag. Werkt de ayahuasca? Zie je kleuren?’

Volgens mij kan ik meer hebben en ik weet weer niet wat ik zeg. Ik drink nog een keer, tussendoor zeg ik wat verwarde dingen, maar ze lijkt me niet te horen.

De sjamaan gaat entiteiten uitdrijven met een lange pijp tabak. Ze zegt: ‘Er is hier een vrouw aanwezig die in het park aan het rennen was, en toen werd ze opeens verkracht’. Het is de vrouw naast me. Ik weet het zeker.

Ik duik diep in mijn hoofddoek. Dan begint een jongen tegenover me in het Spaans te krijsen en om zich heen te slaan. Hij begint op de man naast hem in te meppen. Die draait zich boos om en zegt, met zijn oogkapje op: ‘Dat is niet goed genoeg! dat is niet goed genoeg!’ en gaat verder met zijn reis. Maar de jongen wordt alleen maar wilder. De grote helper sleurt de spartelaar naar een andere ruimte. De sjamaan gaat erachteraan. Ik hoor haar zingen en spugen. Soms sist ze en dan is het overal.

De groep is heel even zonder begeleiding. Een paar kijken wat verward rond. Een vrouwtje ziet haar kans schoon: ze loopt naar de laptop in de hoek en zet het volgende nummer van de playlist op.

Stilletjes eet ik een rijstwafel, ik weet niet zeker of we al mogen eten. Dan sluip ik heel even naar buiten om een sigaret te roken. De rook is heerlijk dik en wollig in mijn mond, de sigaret duurt eindeloos. Naast me staat een grote ton waarin de grote helper onze kots heeft verzameld.

Als ik terugkom ligt een van de Zweedse jongens met zijn hoofd op de schoot van zijn vriend onbedaarlijk te snikken. Het meisje naast hem en ik kijken ernaar. Dan draait ze haar hoofd naar mij, we schudden ons hoofd naar elkaar en zien elkaars tranen. We vinden het zo mooi.

We horen de sjamaan sissen. Aan het eind van een sis zegt ze steeds heel snel: ‘god zij genade’. Spiritualisme in het Nederlands is zo vreemd, het is ons vreemd, de taal verdraagt het niet. Ze zet een nieuwe playlist op. Elke playlist is een fase, we gaan van de chakra-fase naar de didgeridoo-fase.

Mijn hart doet pijn. Ik doe mijn ogen dicht, maar ik blijf alles gewoon zien. De sjamaan staat opeens voor me en door me heen. Het is onpersoonlijk, ze kijkt niet naar mij. Ze blaast rook op mijn hart. Dan hurkt ze bij me en fluistert dat er een entiteit op mijn hart zit, die ze niet helemaal weg heeft kunnen halen, maar dat het niet zo sterk is. Dat ik ooit gekwetst bent. Ik kijk naar het meisje met de tranen, ze heeft haar handen voor haar ogen en schudt haar hoofd.

De laatste paar nummers zijn hymnes, een soort Keltische new age. We komen terug en alle clichés zijn welkom. De Spaanse jongen slaapt in de kamer ernaast en het gaat goed met hem. Lex en Loes dansen bij de laatste nummers. De vrouw naast me staat op en doet mee.

Buiten bel ik vrienden om te zeggen dat ik veilig ben geland. Thuis zit ik een uur op de bank met mijn kat die me even niet meer helemaal lijkt te herkennen. Ik hoor haar spinnen van meters afstand. Ik hoor mezelf aan de telefoon en klink als een malloot die het licht heeft gezien. Dan schiet er een oude gedachte door mijn hoofd:

Zie je wel. Je hebt dit alleen maar gedaan om te kunnen zeggen dat je het hebt gedaan. Om erover te schrijven.

De gedachte vervliegt meteen, als een sneu spookje. Ik lach en bel nog iemand.

-namen en plekken zijn gefingeerd-