De sfeer (I)

Oma is blij als ik er ben. We hebben haar net verhuisd, en al is dit verzorgingshuis veel mooier, ze herkent het nog niet als thuis. Oma stond op het punt om te ontsnappen toen ik binnenkwam. Ik breng haar terug naar een stoel in de tuin. Ze is zo klein. Naast haar zit mevrouw Brauer, tenminste, dat is de naam die op haar rolstoel staat. Ze kijkt me aan, over haar ogen hangt de mist van een blinde.

‘Je denkt dat je het nu weet van straks. Maar je weet het zelf ook niet.’

Oma kijkt haar boos aan en zegt luid tegen mij:

‘ik ben zo blij dat JIJ er bent!’

Dan kijkt ze me smekend aan.

‘Als jij straks weggaat, waar ga je dan heen?’

Ik zeg geruststellend dat ik naar huis ga, dat ik om de hoek woon, dat we nu buren zijn.

‘Mag ik met je mee?’

‘Maar waar moet jij dan slapen?’

Ze trekt een nonchalant en ondeugend gezicht.

‘Ik slaap toch overal’.

Een ander vrouwtje met een lief gezicht begint aan haar rolstoel te sjorren.

‘Ik wil graag weg!’

Omdat ik hier voor oma ben, besluit ik om haar niet te helpen.

‘Waar wilt u naartoe?’

Ze wuift om zich heen, laat de tuin door haar vingers gaan. Ze lacht verontschuldigend en zegt met een klein stemmetje:

‘Uit de sfeer’.