Zwaluwen

‘Maar hoe weet ik nou, waar jij bent?’

Vroeg de zwaluw wanhopig.

‘We zijn toch zwaluwen. Die vinden elkaar altijd terug.’

Zei de zwaluw geruststellend.

‘Oh. Maar Hoe….’

De zwaluw maakte zijn zin niet af. Dat had geen zin. Ze zouden elkaar toch wel terugvinden. Bovendien zou ze hem niet meer kunnen horen, ze hing al hoog in de lucht en hij stond nog op de grond. Hij had haar niet verteld, dat hij nooit had leren vliegen.

Twee jaar later had hij het vliegen eindelijk onder de knie. Hij vloog van land, naar land. Er ging een wereld voor hem open. Uiteindelijk vonden de twee zwaluwen elkaar weer, aan de rand van een groot meer.

‘Ik heb me jaren afgevraagd waar je was’.

Zei de zwaluw beschuldigend.

‘Maar waarom? We zijn toch zwaluwen.’

Dit keer zweeg de zwaluw, hij wilde niet weer een zin beginnen die hij niet kon afmaken. De volgende dag vlogen ze samen op, voor de eerste keer, maar er kwam al snel een storm. Ze tuimelden om elkaar, probeerden elkaar niet uit het oog te verliezen. Om en om vergaten ze te vliegen. Ze riepen naar elkaar door de storm, maar ze verstonden elkaar steeds slechter. Ze verloren elkaar uit het oog.

De zwaluw vloog verder. De jaren vlogen voorbij. Ze vonden elkaar niet. Op een dag draaide hij zich om en vloog vol vertrouwen langs alle plekken waar hij al eens was geweest.

Uiteindelijk vonden de twee zwaluwen elkaar weer, aan de rand van een groot bos.

‘Ik heb me jaren afgevraagd waar je was’.

Zei de zwaluw, diep gelukkig.

Even hielden ze elkaar vast.