Eerder verschenen op DasMag.nl. Dit is de lange versie.

Na een jaar van veel reizen, had ik een laatste, korte reis gepland. Ik zou met de trein van Montreal naar New Orleans gaan. De reizen die ik daarvoor had ondernomen, brachten mij langs een aantal plekken die het decor zouden moeten vormen voor mijn tweede boek.

Deze reis was echter voor mijn vader, die een grote liefde voor New Orleans had en die een jaar geleden is overleden. Het voelde als de eerste zinnige reis van het jaar. Ik was al een jaar zo zoekende naar een manier om de laatste uren van zijn sterven te vergeten, die heftig waren. Ik had besloten dat de reis naar New Orleans daar een punt achter zou zetten.

Hoewel ik doorgaans mijn reizen niet of nauwelijks plan, had ik dit keer alles vooruit geboekt: de treinkaartjes, mijn verblijf en de vlucht terug naar Montreal. In totaal zou ik drie weken wegblijven. De bevestigingen, treinkaartjes en tickets had ik uitgeprint en in een bruine envelop gestopt, die ik speciaal voor de reis had aangeschaft. Ik hou ervan om alles op orde te hebben. Thuis, in Amsterdam, geniet mijn huis van een lichte vorm van OCD.

Het eerste traject, van Montreal naar New York, staat bekend als een van de mooiste treinreizen ter wereld. Na ongeveer een uur, vlak na het bord ‘Welcome to the State New York’, stopte de trein voor een grenscontrole. Ik legde de bruine envelop op mijn schoot. Daarbovenop vulde ik het migratiepapiertje in. Ik hou van grensovergangen, papieren liegen niet.

De douanier liep langs en stelde iedereen een paar vragen over waar ze vandaan kwamen en waar ze naartoe gingen. Iedereen die niet uit Canada of Amerika kwam, verzocht hij om naar de restauratiewagen te gaan en een groen papiertje in te vullen.

In de restauratiewagen zat een vrolijke familie uit het Midden-Oosten en een Duitser met een mond waarin met gemak een frisbee geschoven kon worden. Ik ging tegenover de Duitser zitten, die zijn formuliertje al ingevuld had. Ik vulde mijn eigen groene papiertje in, met een toewijding waarvan ik hoopte de Duitser te imponeren, die me geen vriendelijke blikken toewierp. De douanier nam het papiertje van de Duitser in ontvangst, heette hem welkom in Amerika en wisselde met hem van plaats. Hij legde zijn handen op tafel en keek me even aan. We moesten dezelfde leeftijd hebben. Hij had een ringbaardje en schoof mijn paspoort naar zich toe alsof het een cadeautje was.

Mijn boek was nog niet af, daar was ik niet trots op. Maar mijn paspoort wel, het stond vol mooie stempels. De stempels bevielen hem niet.

Bij een stempel van Sri Lanka trok hij zijn wenkbrauwen op.

Sri Lanka, wat deed je daar?

Surfen. Reizen. Mijn beste vriend woont daar. Hij is architect.

De officier bladerde tevreden verder. Een pagina verder stonden mijn stempels van Singapore en Maleisië.

Wat deed je in die landen, Singapore en Maleisië? Zijn dat geen islamitische landen?

Over mijn schouders zocht hij naar bevestiging van zijn collega’s.

Maleisië volgens mij wel. Singapore niet. Dat is een hele futuristische stad. Met airconditioning tot aan het plafond. Naar Singapore ging ik vooral voor het eten.

Sure.

Wat zegt u?

Niets. En Maleisië?

Ik legde hem uit dat de vluchten vanaf Maleisië goedkoper zijn dan vanuit Singapore. Dat ik er maar een paar dagen was, maar dat ik ook daar een beetje voor het eten was. De douanier bladerde verder en vond mijn visum voor Jemen, een waar kunstwerk. Hij legde mijn paspoort neer en keek me aan.

Wat deed je in godsnaam in Jemen?

Ik ging daar naar het eiland Socotra, dat is niet op het vaste land. Het is een eilandje dicht bij Somalië. Het is een heel bijzonder eiland, een soort Galapagos van het midden-oosten. Vijfentachtig procent van de planten en dieren daar, komen alleen op dat eiland voor.

Was je niet bang?

Ja. Ik was bang. Het vliegveld, waarop ik overstapte, is een paar weken ingenomen door Al Qaeda.

De douanier bladerde niet verder. Als hij verder had gebladerd, was hij stempels van Sharjah, Dubai, en Abu Dhabi tegengekomen.

Toen moest ik mijn koffer voor de eerste keer openmaken. Zes douaniers bekeken mijn twee telefoons, mijn ipad, mijn laptop en mijn fotocamera. In mijn portemonnee vonden ze een SD-kaart waarvan ik het hele bestaan vergeten was en dat beviel ze niet. Inmiddels was ik de enige in de restauratiewagen en het middelpunt van de aandacht geworden. Er zat een regenjas onderin mijn koffer, omdat ik had gehoord dat het flink kon stormen in New Orleans. Een douanier hield mijn regenjas omhoog en blafte:

Wie neemt er nou een jas mee naar Amerika, in de zomer?!

Ik antwoordde dat, als de dijken in New Orleans weer zouden breken, ik tenminste droog zou blijven. Ze zwegen. De douanier liet mijn jas als een vaatdoek naast mijn koffer vallen.

De regenjas was de druppel. De douaniers wisselden blikken uit.

We willen je nog wat vragen stellen. Maar de trein moet verder. We gaan er hier uit.

Ik keek naar buiten. We stonden niet echt bij een station. Langs het spoor stonden stapels rottende pallets.

Zet u me daarna nog op een andere trein?.

Dit is de enige trein. Maar als we besluiten om je binnen te laten, zetten we je op een bus. Maar je maar geen zorgen.

Ik begon me zorgen te maken. Ik pakte mijn koffer zo snel mogelijk in en werd uit de trein geëscorteerd. Drie voor, drie achter. Mijn koffer was te breed voor het gangpad, kwam soms vast te zitten tussen de stoelen langs het gangpad. Ik verontschuldigde me tegenover de trein en keek niemand aan. De douaniers bleven geduldig staan en bestudeerden de band tussen mijn koffer en ik.

We stopten bij een wit busje. Ik mocht mijn koffer achterin tillen en wilde in het busje stappen, maar de officier hield me tegen:

We arresteren je niet. Je hoeft helemaal niet bang te zijn. Maar we willen je wel graag even fouilleren.

Ik ben niet bang, maar het is wel spannend. Alsof ik in een film ben gestapt. U doet gewoon uw werk. Dat begrijp ik.

Dat leek me de juiste houding. Ze fouilleerden me voor de eerste keer, zoals in de film. Voordat ik in het busje stapte moest ik mijn telefoons afgeven. Ik kreeg mijn gordel niet dicht, een douanier deed het voor me.

In een gebouwtje van golfplaat maakte ik mijn koffer nogmaals open. Achter me zat een man in tranen. Een douanier legde hem uit wat voor gevangenisstraf hij kon verwachten. Hij had cocaïne geprobeerd te smokkelen. Het klonk alsof het om een aanzienlijke hoeveelheid ging.

Daarna werd ik nogmaals gefouilleerd. Ditmaal op de doortastende wijze, zoals in de films.

In het kamertje ernaast namen ze mijn vingerafdrukken. Het lukte maar niet, want mijn handen waren te klam. Een douanier zei:

Hij is bang.

Een andere douanier zei:

Ja. Hij is bang.

Ik zei maar weer, in de hoop ontwapenend te zijn:

Dit is net als in de films.

Maar douaniers laten zich niet gemakkelijk ontwapenen.

In de vijf uur die daarop volgden, ben ik nog tweemaal ondervraagd. Tijdens de eerste ronde vertelde ik onder andere mijn levensverhaal, het plot van mijn tweede boek, gaf de naam van mijn uitgever, bank en makelaar in Nederland. Samen liepen we door alle foto’s en berichten op mijn telefoons van de afgelopen weken. Ze noteerden de namen van iedereen met wie ik contact had gehad. In mijn illegale software en films hadden ze geen interesse.

Tijdens de tweede ronde kwam de religie van mijn ouders ter sprake. Ik vertelde dat mijn moeder katholieke ouders had, en dat mijn vader een atheïstische moeder en een joodse  vader had.

We don’t understand. Why would a jew go to Yemen?

But… I’m not jewish

Yeah, well. We just don’t understand why would a jew go to Yemen.

Ik liet ze nogmaals de foto’s van Jemen zien en legde ze uit hoe bijzonder de flora en fauna daar was. Dat de dolfijnen in het ondiepe aan je komen snuffelen en dat je er een kreeft voor een paar dollar kan kopen. Ik liet ze de drakenbloedbomen zien en de bedoeïenen waar ik geiteningewanden moest eten. Ze vonden het maar niks.

You yourself, what do you believe in’

Ik dacht even na en antwoordde:

Nothing, really.

Op dat moment had ik natuurlijk moeten zeggen:

Freedom of speech.

Maar als ik op mijn woorden moet letten, zeg ik doorgaans de verkeerde dingen.

Het laatste uur werden er telefoontjes over me gepleegd. Zo nu en dan kwamen de douaniers me om een pincode of een wachtwoord vragen van mijn apparatuur, daar waren ze nog niet klaar mee. De smokkelaar was inmiddels afgevoerd naar een cel waar waarschijnlijk wel een toilet was. Een douanier die ik nog niet gezien had, gooide de deur open en vroeg of ik op de Greyhound naar New York zat. Ik haalde hoopvol mijn schouders op en keek hem vragend aan. Hij deed de deur weer dicht, alsof hij de verkeerde kamer was binnengegaan.

Twee douaniers stormden mijn wachtkamer binnen.

Pak je tas in. Let goed op dat je alles hebt.

Ik kreeg mijn telefoons terug. Alle apps waren geopend. Ik had mijn telefoons nog niet gebruikt die dag, maar nu waren de batterijen vrijwel leeg. Omdat ik doordrenkt was geraakt van het angstzweet, probeerde ik tijdens het inpakken van mijn tas snel van t-shirt te wisselen. De douaniers leken haast te hebben. Ik kreeg de indruk dat ik het gehaald had.

Hoe laat vertrekt de bus?

Dat weten we niet.

Ik kon de ingang van mijn schone t-shirt niet vinden. Ik hield het met twee handen boven mijn hoofd, alsof het een witte vlag was die ik zelf aan het wapperen probeerde te krijgen.

Wat is de uitslag?

We geloven dat je meer banden hebt met landen waar we niet op goede voet mee zijn, dan met je eigen land. We hebben besloten om je niet binnen te laten. We brengen je terug naar de Canadese grens.

Ze brachten me terug naar de Canadese grens. In de auto zeiden we niets tegen elkaar. Het had geen zin. Ik was op. Tegen de Canadese douanier zeiden de Amerikanen: ‘we hebben er weer een. Deze komt uit Nederland.’

De Canadese douanier had medelijden met me. Ze vroeg of ik iets nodig had. Ik zei dat ik wel een kopje koffie en een sigaret kon gebruiken. Ze vertrok naar een achterkamer met mijn paspoort en kwam vijf minuten later terug met een nieuwe stempel in mijn paspoort, koffie, een sigaret en een kaartje voor de eerst volgende bus terug naar Montreal.

Ik ben eens flink uitgescholden aan een Chinese grens. In Dubai is mijn paspoort een uur lang vakkundig bestudeerd door drie achterdochtige gesluierde vrouwen en mijn koffer opengereten. In de Filippijnen heb ik steekpenningen moeten uitdelen om mijn visum met een paar dagen te verlengen. Grenzen zijn altijd moeilijk, vooral in corrupte landen.

Maar ik ga nooit meer naar Amerika.

Terwijl ik op de bus stond te wachten, realiseerde ik me dat ze nooit naar de reden van mijn reis hadden gevraagd. Ik belde met het laatste streepje op mijn telefoon naar mijn vrienden in Amsterdam. Om me te straffen voor mijn hoogmoed boekten ze vanuit Amsterdam een christelijke B&B in Montreal voor me. Die nacht sliep ik tussen stapels bijbels onder het toeziend oog van een bloedende Jezus. Dat was sadisme van een vorm die ik wel kon waarderen.